K2 Blog

donderdag 09 mei 2019 16:45

Is incassobureau toerekenbaar tekortgeschoten door te hoge incassokosten in rekening te brengen?

Geschreven door

Ontbinding incasso-overeenkomst. Is incassobureau toerekenbaar tekortgeschoten door te hoge incassokosten in rekening te brengen? Schuldeisersverzuim.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.171.487/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3059432 \ CV EXPL 14-5352)
arrest van 17 juli 2018
in de zaak van
Pranger Gerechtsdeurwaarders B.V.,
gevestigd te Assen,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna: Pranger,
advocaat: mr. J.M. Pol, kantoorhoudend te Assen,
tegen
Xenosite B.V.,
gevestigd te Drachten,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna:,Xenosite,
advocaat: mr. H.J. Reyneveld, kantoorhoudend te Heerenveen.
Het hof neemt het tussenarrest van 30 januari 2018 hier over.
1. 1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie heeft op 3 juli 2018 plaatsgevonden.
1.2
Partijen hebben aan het einde van de comparitie arrest gevraagd op de ter voorbereiding van de comparitie overgelegde stukken, waaraan het proces-verbaal van de comparitie is toegevoegd.
2. 2. De vaststaande feiten
2.1
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.24) van zijn vonnis van 22 april 2016 de feiten vastgesteld. Pranger heeft in hoofdstuk III van haar memorie van grieven haar visie op de feiten gegeven. Met grief I komt zij op tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter, voor zover deze afwijkt van haar weergave van de feiten. De grief is onvoldoende concreet omdat Pranger niet duidelijk maakt welke feiten de kantonrechter volgens haar onjuist heeft vastgesteld en waarin de weergave van de feiten door Pranger afwijkt van de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Voor zover Pranger van oordeel is - duidelijk is dat niet - dat de feitenvaststelling door de kantonrechter onvolledig is, miskent Pranger dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. De grief faalt dan ook.
2.2
Het hof zal, gelet op wat hiervoor is overwogen over grief I, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook verder niet van (concrete) bezwaren tegen deze vaststelling is gebleken. Deze feiten komen op het volgende neer.
2.3
Pranger exploiteert in meerdere vestigingen een gerechtsdeurwaarders- en
incassopraktijk.
2.4
Xenosite is leverancier van telecommunicatieproducten en -diensten. Zij is een dochtervennootschap van NedLook Holding B.V. en een zustervennootschap van
2Blue4U Internet B.V., die een onderneming met de handelsnaam Watsnel.nl exploiteert.
2.5
Op 12 januari 2012 hebben Pranger en Xenosite een tweetal schriftelijk vastgelegde overeenkomsten gesloten, ter uitvoering van hun afspraak om elkaars producten c.q. diensten te gaan afnemen. Op grond van de ene overeenkomst leverde Xenosite met ingang van1 februari 2012 drie breedbandverbindingen aan vestigingen van Pranger. De contractsduur is 36 maanden en zal stilzwijgend per drie maanden verlengd worden.
2.6
In de andere overeenkomst - hierna te noemen: de overeenkomst - is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1. Algemene bepalingen
1.1.
Xenosite geeft jaarlijks 500 geldelijke incassovorderingen ter incasso aan Pranger in
behandeling onder de werking van deze overeenkomst (verder te noemen "OTD");
1.2.
De ter incasso overgedragen bedragen (de vorderingen) blijven eigendom van Xenosite en zijn op het moment van overdracht verschuldigd door en opeisbaar van debiteur;
1.3.
Pranger verkrijgt bij deze volmacht om de benodigde handelingen te verrichten in de, uit hoofde van deze overeenkomst, verstrekte opdrachten;
(…)


Artikel 3. Tarieven en wijze van afrekenen
3.1
Bij een (volledige of gedeeltelijke) betaling in de minnelijke incassofase berekent Pranger aan Xenosite incassoprovisie conform dan geldend Rapport Voorwerk II (bijlage 1);
3.2
Bij geen betaling in de minnelijke incasso fase berekent Pranger aan Xenosite € 22,00
dossierkosten ex. BTW (normaal voor € 37,00 ex. BTW), eventueel vermeerderd met de noodzakelijke verschotten zoals GBA en KvK;
3.3.
Uitzondering op artikel 3.2 zijn incassovorderingen met een hoofdsom tot en met € 30.00 incl. BTW. Hierbij berekent Pranger bij geen betaling in de minnelijke incasso fase slechts € 5,00 dossierkosten ex. BTW.
3.4.
Voor de gerechtelijke fase en executie fase zal door Xenosite gebruik worden gemaakt van Pranger Vast & Zeker (bijlage 1);
(…)
3.8.
Indien de debiteur de vordering niet of niet volledig aan Pranger of Xenosite heeft voldaan kan het dossier, na financiële afwikkeling door Pranger, op verzoek van Xenosite kosteloos (normaal voor € 22,00 ex. BTW) op schuldbewaking worden gezet Pranger zal dan tenminste twee maal per jaar debiteur en of verhaal trachten op te sporen:
(…)
Artikel 5. Wederzijdse dienstverlening
5.1
Xenosite en Pranger zijn overeengekomen elkaars producten c.q. diensten te gaan afnemen. Hiertoe hebben beide partijen gezamenlijk afgesproken dat:
- Beide partijen elkaars overeenkomsten ondertekenen,
- De overeenkomsten voor beide partijen dezelfde looptijd hebben;
- De overeenkomsten ingaan per l februari 2012;
- Op de overeenkomst van Xenosite de algemene voorwaarden van Xenosite van toepassing zijn.
- Op de overeenkomst van Pranger de algemene voorwaarden van Pranger van toepassing zijn (bijlage 3)
- Wanneer het onder 1.1 genoemde aantal dossiers niet wordt behaald, beide overeenkomsten door Pranger kunnen worden beëindigd.”
2.7
In de in artikel 5 bedoelde algemene voorwaarden van Pranger is onder meer
vermeld:
“5. Tarieven
(…)
5.2
Het Agin-kantoor heeft het recht de haar volgens de tarieven toekomende vergoeding, ook aan de opdrachtgever in rekening te brengen, indien de opdrachtgever (…) de opdracht tot incasso intrekt (…)
Incassoprovisie
De incassoprovisie wordt berekend over het geïncasseerde bedrag.
Bij zaken waarin niets is geïncasseerd en zaken waarbij een bedrag van € 250.00 of minder is geïncasseerd, brengt het Agin-kantoor de cliënt een minimumbedrag van € 37.00 aan incassoprovisie in rekening, behoudens indien zich een situatie voordoet als genoemd in art. 5.2, in welk geval onderstaande tarieventabel (geïncasseerd) van toepassing is.
Voor zaken waarin meer dan € 250.00 is geïncasseerd wordt onderstaande incassoprovisie in rekening gebracht, met dien verstande dat een afwijkend tarief in rekening gebracht kan worden als de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en schuldenaar dit mogelijk maakt.
(…)”
2.8
Xenosite heeft in het eerste jaar van de overeenkomst - van februari 2012 tot
februari 2013 - 239 incassovorderingen aan Pranger in behandeling gegeven. Pranger - die
zich op het standpunt stelde dat Xenosite op grond van de overeenkomst gehouden was om
500 incassovorderingen in behandeling te geven - heeft Xenosite vervolgens gedagvaard
voor de kantonrechter te Leeuwarden. Bij eindvonnis van 20 december 2013 is Xenosite veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis aan Pranger 261 opeisbare incassovorderingen over te dragen, onder verbeurte van een dwangsom van€ 25,00 voor iedere dag dat Xenosite in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00 aan te verbeuren dwangsommen. Over de bepaling onder 5.1, zesde gedachtestreepje van de overeenkomst heeft de kantonrechter overwogen::
“4.2. Gelet op de vordering van Pranger en het daartegen door Xenosite gevoerde verweer is de kern van het geschil naar het oordeel van de kantonrechter gelegen in de uitleg van het in het tussenvonnis onder rechtsoverweging 2.2. aangehaalde onderdeel 5.1, aanhef en zesde
gedachtestreepje van een van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van Xenosite dat zij zich op het standpunt stelt dat uit deze passage volgt dat Pranger, in het geval Xenosite niet 500 incasso's per jaar zou aanleveren, slechts zou kunnen overgaan tot het beëindigen van alle verbintenissen tussen partijen, in plaats van bijvoorbeeld nakoming te vorderen, zoals Pranger in deze procedure doet. Pranger heeft dit weersproken. De kantonrechter zal over de door Xenosite bedoelde passage uit de overeenkomst moeten oordelen.(…)
4.4.
Xenosite heeft zich in deze overeenkomst verbonden om jaarlijks 500 incasso's aan Pranger aan te leveren. Doordat zij in het eerste jaar slechts 239 incasso's heeft aangeleverd. een aantal dat door haar niet is weersproken, is zij jegens Pranger tekort geschoten in de nakoming van de in verband hiermee op haar rustende verplichting. De tekortkoming in de nakoming door Xenosite geeft Pranger de mogelijkheid om nakoming of ontbinding van deze overeenkomst en mogelijk schadevergoeding te vorderen De stellingname van Xenosite komt er op neer dat de bepaling in de overeenkomst waarnaar zij heeft verwezen, Pranger beperkt in haar (wettelijke) mogelijkheden. 4.5. Indien wordt begonnen met een taalkundige uitleg van deze bepaling lijkt het gebruikte woord "kunnen" te wijzen op een keuzemogelijkheid voor Pranger, die met name gelet op de verwijzing naar "beide overeenkomsten", betrekking heeft op de mogelijkheid om ook deovereenkomst tot levering van breedbandverbinding door Xenosite te kunnen beëindigen Nu, zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, de samenhang tussen alle gesloten overeenkomsten niet zodanig is dat het beëindigen van de overeenkomst waaruit de verbintenis tot het aanleveren van de 500 incasso’s voortvloeit automatisch ook het wegvallen van de andere overeenkomst tot gevolg heeft, is een aanvullende afspraak nodig om dat gevolg te bewerkstelligen en dat lijkt in onderdeel 5.1, zesde gedachtenstreepje, van de overeenkomst tot uitdrukking te zijn gebracht.
4.6.
Het voorgaande wordt ook ondersteund door de stellingname van Xenosite dat Pranger alleen een overeenkomst met Xenosite wenste te sluiten, indien Xenosite haar incasso's bij Pranger ging onderbrengen. Hieruit valt af te leiden dat Pranger een relatie tussen beide overeenkomsten heeft beoogd, in die zin dat zij alleen met Xenosite in zee wilde gaan indien zij incasso-opdrachten van Xenosite zou krijgen, en de bedoelde bepaling valt in dat kader te begrijpen.
4.7.
De kantonrechter is verder van oordeel dat tekst van de overeenkomst voor het overige geen aanleiding geeft om te oordelen dat Pranger, en Pranger alleen, haar toekomende wettelijke rechten en bevoegdheden zou prijsgeven, waarvan sprake zou zijn indien Xenosite zou worden gevolgd. Xenosite heeft in verband hiermee ook niets gesteld.
4 8. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt dan ook tot het oordeel dat het Pranger in beginsel vrijstond om, in geval van tekortschieten door Xenosite in de aanlevering van voldoende incasso's, nakoming daarvan te vorderen.
4.9
Xenosite heeft zich verder nog beroepen op fouten die door Pranger zouden zijn gemaakt, alsmede op de stroeve samenwerking tussen partijen die zich op tal van manieren door handelen van Pranger zou hebben gemanifesteerd en daar de conclusie aan verbonden dat er in de samenwerking tussen partijen geen toekomst zit en dat ontbinding van de overeenkomst daarom het enig juiste is.
Pranger heeft deze stroeve samenwerking erkend, maar daarbij betwist dat zij fouten zou hebben gemaakt, gesteld dat er geen sprake is van tekortkoming en verzuim aan haar zijde en Pranger heeft op haar beurt Xenosite verwijten gemaakt. De kantonrechter is hieromtrent van oordeel dat beide partijen hun stellingen dienaangaande onvoldoende hebben gemotiveerd en onderbouwd, zodat daaraan geen gevolgen zullen worden verbonden Ontbinding van een overeenkomst is blijkens het bepaalde in artikel 6:265 BW mogelijk in geval van tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door de andere partij. Nu onvoldoende is komen vast te staan dat daarvan sprake was aan de zijde van Pranger,
waarbij nog geldt dat ook niet is gebleken van het daarvoor benodigde verzuim aan de zijde van Pranger, is de kantonrechter van oordeel dat voor ontbinding van de overeenkomst geen grondslag is en volgt hij Xenosite niet in haar stellingname.
4.10.
De vordering van Pranger zal gelet op het voorgaande worden toewezen. Pranger heeft aan haar vordering een dwangsom verbonden van € 250.-- per dag. De kantonrechter ziet billijkheidshalve aanleiding om deze dwangsom te matigen tot een bedrag van € 25.-- per dag. met een maximum van € 2.500.--."
Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
2.9
Xenosite, die in de hiervoor bedoelde procedure niet werd bijgestaan door een
gemachtigde, heeft het in het vonnis van 20 december 2013 genoemde maximumbedrag van
€ 2.500,- aan Pranger voldaan, daarbij in de (onjuiste) veronderstelling verkerend dat
sprake was van een keuze tussen het betalen van de dwangsommen van € 2.500,00 en het
in behandeling geven van 261 incassovorderingen.
2.10
Pranger heeft vervolgens in kort geding verhoging van de in het vonnis van
20 december 2013 genoemde dwangsommen gevorderd naar € 250,- per dag met een
maximum van € 25.000,-. Partijen hebben de zaak vervolgens - vóór de mondelinge
behandeling daarvan - geschikt, in die zin dat Xenosite alsnog 261 vorderingen van
Watsnel.nl in behandeling zou geven aan Pranger.
2.11
Bij e-mailbericht van 17 april 2014 heeft Xenosite onder meer het volgende aan
Pranger meegedeeld:
“Alvorens wij zaken aanleveren vinden wij het wenselijk om toch nog even met elkaar een dialoog aan te gaan inzake ontstane irritaties en werkwijzen vanuit het verleden. Deze willen we graag op tafel leggen, zodat er weer begrip ontstaat voor elkaars standpunten. Daardoor kan de blik komen te liggen op het zoeken naar een goede samenwerking de komende tijd die uiteraard in het belang van beide partijen is.
We zouden het zeer op prijs stellen als je bereid bent tot een dialoog bij ons op kantoor Graag verneem ik van jou welke datum jou schikt.”
Ook na een herinnering op 25 april 2014 is Pranger niet op de uitnodiging van
Xenosite ingegaan.
2.12
Op 28 april 2014 heeft Xenosite 261 afgedrukte facturen aan Pranger ter hand
gesteld.
2.13
Bij e-mailbericht van 29 april 2014 heeft Pranger het volgende aan Xenosite
meegedeeld:
“Hartelijk dank voor de facturen die ik heden mocht ontvangen. Uiteraard wil ik deze facturen zo spoedig mogelijk invoeren en verwerken Alvorens hiertoe te kunnen overgaan heb ik nog een aantal vragen. Er wordt namelijk gefactureerd door Watsnel.nl met nummer 28084755 van de kamer van koophandel Dit betreft een handelsnaam van de besloten vennootschap 2Blue4U Internet B.V. Via de website vind ik ook algemene voorwaarden die verwijzen naar nummer 2477249 van de kamer van koophandel. Dit betreft de besloten vennootschap Hosting Concepts B.V.
Mijn vragen:
a. Met welke onderneming is een overeenkomst tot stand gekomen?
b. Zijn er ook algemene voorwaarden van toepassing? Wilt u mij deze per mail doen toekomen?
c. Betreft het opeisbare vorderingen? Heeft u per factuur een juiste ingebrekestelling verzonden?
Na beantwoording van deze vragen zal ik van alle facturen afzonderlijk een dossier aanmaken. Alvorens daadwerkelijk tot aanmaning te kunnen overgaan ontvang ik nog graag van u per factuur de verzonden ingebrekestelling en overige relevante correspondentie.”
2.14
Bij e-mailbericht van 29 april 2014 heeft Xenosite bovenstaande vragen als volgt beantwoord:
“a. (…) Initieel met Hosting Concepts. Wij hebben de activiteiten overgenomen van deze B.V. Bij ons hangt het label watsnel onder 2blue4u internet b.v
b. (…)
Ga ik naar op zoek
c. (…)
Het proces bij ons werkt niet meer op die manier. Dit heb ik ook getracht uit te leggen, maar jullie zijn nogal hard en star en willen wat het kost 261 opeisbare vorderingen. Dat is wat ik heb verstuurd.”
2.15
Bij e-mailbericht van 29 april 2014 heeft Pranger onder meer het volgende aan
Xenosite medegedeeld:
“Uw antwoorden geven mij nog onvoldoende duidelijkheid.
a. Moet ik nu uitgaan van 2blue4u internet b.v. als eisende partij'' Zo ja, per wanneer en op welke wijze zijn de activiteiten overgenomen? En zijn de contractpartijen van deze overname op de hoogte gesteld? Zo ja, op welke wijze?
b. Als Hosting Concepts de eisende partij is dan heb ik de algemene voorwaarden al in mijn bezit en verkregen via de website.
c. Begrijp ik nu goed dat u geen ingebrekestelling heeft verzonden'? Als u dat niet heeft gedaan dan is er geen sprake van 261 opeisbare vorderingen en kan ons kantoor helaas niets voor u betekenen. Ik verwijs u volledigheidshalve naar artikel 1.2 van de overeenkomst, maar ging er vanuit dat de inhoud daarvan u inmiddels bekend is.”
2.16
In een e-mailbericht van 30 april 2014 heeft Xenosite het volgende aan Pranger
geschreven:
“Spijtig dat mijn antwoorden onvoldoende duidelijkheid bieden. In het verleden hebbenjullie de dossiers ook aangemaand zonder verdere vragen.
a. a) 2blue4u internet b.v. is eisende partij. Partijen zijn niet op de hoogte gesteld.
b) 2blue4u internet b.v. is eisende partij, de algemene voorwaarden heb ik bijgesloten
c) De vordering is opeisbaar.”
2.17
In een e-mailbericht van 30 april 2014 heeft Pranger onder meer het volgende aan
Xenosite geschreven: “U geeft thans nadrukkelijk aan dat partijen niet op de hoogte zijn gesteld. Er is derhalve nog geen sprake van opeisbare vorderingen. Ik verzoek u eerst alle formaliteiten in acht te nemen en de vorderingen na het intreden van verzuim wederom aan ons over te dragen. Ik zie dan de juiste correspondentie en ingebrekestelling wel tegemoet.”
2.18
In een e-mailbericht van 1 mei 2014 heeft Pranger onder meer het volgende aan
Xenosite laten weten: “Ondanks mijn eerdere vragen is mij nog steeds niet duidelijk of u uw incassotraject heeft doorlopen en ons kantoor de incassowerkzaamheden kan voortzetten en hierbij incassoprovisie in rekening kan en mag brengen bij uw wederpartij. Als u mij hierover duidelijkheid kan verschaffen en aan mij deze gegevens kunt verstrekken kan ik mijn werkzaamheden verder voortzetten.
Uiteraard kunt u mij ook nadrukkelijk opdracht geven uw wederpartijen aan te schrijven enkel voor uw factuurbedrag. Als u dit wenst dan verneem ik dat graag van u. Dit betekent dan wel een schadepost voor u. Immers, onze niet hij uw wederpartij verhaalbare kosten zullen wel voor uw rekening komen.”
2.19
In reactie op dit e-mailbericht heeft Xenosite in een e-mailbericht van diezelfde datum geschreven: “Eindelijk…. de facturen zijn door Agin Pranger geaccepteerd. Hiermee voldoe ik ook aan de verplichtingen uit het vonnis. (…) Zoals ik kan zien worden op Watsnel.nl specifieke voorwaarden gebruikt. Deze krijgt de klant te zien bij verlengen en klant worden. Nu ben jij jurist, ik mens, maar zie het volgende:“Na het verstrijken van 30 dagen na factuurdatum is de Cliënt die niet tijdig betaalt, zonder dat hiervoor een ingebrekestelling vereist is, van rechtswege in verzuim en is hij over het openstaande factuurbedrag een rente verschuldigd van 1,5% per maand, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand geldt. Verder is WatSnel.nl bij deze gerechtigd het door de klant verschuldigde bedrag te verhogen met (buiten)gerechtelijke invorderingskosten (…) Worden deze kosten niet tijdig voldaan, dan zullen die, vooruitlopend op de vaststelling van de werkelijke kosten, voorlopig worden bepaald op een direct opeisbaar bedrag van 15% van de onbetaalde factuur, met een minimum van € 250,00.”Ik wil graag dat het minnelijk traject wordt ingezet zoals bedoeld in art. 3 van de overeenkomst, waarbij de incassoprovisie in geval van betaling door de klanten van Watsnel.nl betaald wordt.”
2.20
Xenosite heeft ten aanzien van de door haar aan Pranger ter hand gestelde 261
facturen in brieven van 13 en 14 mei 2014 bij Pranger geklaagd over gebreken in de
incassowerkzaamheden van Pranger en Pranger gesommeerd om de (gestelde) gebreken in
de incassobrieven te herstellen. In de brief van 13 mei 2014 van Xenosite aan Pranger is onder meer het volgende vermeld:
“Klachten en schade
Van klanten ontvangen wij klachten met betrekking tot de wijze van incasseren. Het schijnt dat Pranger klanten die meerdere facturen niet betaald hebben, van Pranger meerdere aanmaningen ontvangen met incassokosten op iedere aanmaning. Ook particuliere klanten. Wij vragen ons af of dat de juiste wijze is. Xenosite verzoekt Pranger om de overeenkomst op juridisch en incasso technisch correcte wijze uit te voeren.
(…) Ter correctie van reeds gemaakte fouten verzoeken en voor zover nodig sommeren wij u bij deze om op uw kosten: (…) klanten die door u foutief zijn bejegend (…) te hoge incassokosten (…) opnieuw maar nu op de juiste wijze aan te schrijven; (…)” Bij haar brief van 14 mei 2014 aan Pranger heeft Xenosite een spreadsheet gevoegd, waarin per factuur in de kleur rood de door Xenosite bedoelde fouten worden aangeduid, onder vermelding van de fout in de betreffende incassobrief. Bij 231 van de 261 facturen is door Xenosite vermeld:
"Dubbele incassokosten, verzuimd facturen per debiteur te verzamelen."
2.21
Pranger heeft in een e-mailbericht van 15 mei 2014 onder meer het volgende aan de
gemachtigde van Xenosite meegedeeld:“Graag verneem ik uiterlijk maandag 19 mei aanstaande van u of uw cliënte alle vorderingen op één wederpartij wil voegen tot één vordering, na deze datum wordt het incassotraject vervolgd.”
2.22
In een e-mailbericht van diezelfde datum heeft de gemachtigde van Xenosite hier als volgt op gereageerd:
“Cliënte heeft geen voorkeur voor voegen of niet. U mag dat zelf weten. Cliënte begrijpt niet wat u precies met voegen bedoelt. Het woord staat niet in de overeenkomst vermeld. U bent de specialist. Het incassowerk moet gewoon deugdelijk gebeuren en mag niet meer kosten dan de afgesproken tarieven behorende bij het minnelijk traject.”
2.23
De gemachtigde van Xenosite heeft in een aangetekende brief van 4 juni 2014 onder
meer het volgende aan Pranger geschreven:
“Xenosite B V. heeft moeten constateren dat Pranger Gerechtsdeurwaarders B.V. (Pranger) geen gehoor heeft gegeven aan de sommaties van 13 en 14 mei 2014, kort gezegd inhoudende sommatie tot nakoming van de Overeenkomst tot dienstverlening versie 1 d.d. 12 januari 2012, voornamelijk door de gebreken in de door Pranger verzonden incassobrieven te herstellen.
(…)
Op grond van het bovenstaande ontbindt Xenosite per heden de Overeenkomst tot dienstverlening versie 1 d.d. 12 januari 2012 en vordert Xenosite schadevergoeding.”
2.24
In een e-mailbericht van 4 juni 2014 heeft Pranger het volgende aan de gemachtigde
van Xenosite geschreven:
“Nadrukkelijk wordt de grondslag voor de ontbinding betwist, wij behouden ons derhalve ieder recht voor. Nu Xenosite tot intrekking van alle lopende dossiers is overgegaan, rest ons niets anders dan alle lopende dossiers te sluiten en overeenkomstig onze algemene voorwaarden een eindnota per dossier op te stellen.”
2.25
Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de vraag of Xenosite al dan
niet tot intrekking van de dossiers is overgegaan - wat Xenosite betwist - en over de
financiële consequenties van één en ander.
2.26
Xenosite heeft over het tweede en derde jaar van de overeenkomst - van februari 2013 tot februari 2015 - geen enkele incassovordering aan Pranger in behandeling gegeven.
2.27
Pranger heeft Xenosite een factuur van € 52.958,96 (incl. BTW) gestuurd ter afwikkeling van de vorderingen die bij haar op het moment van de ontbinding van de overeenkomst nog in behandeling waren. Zij is daarbij, op een enkele uitzondering na, uitgegaan van een bedrag van € 302,50 (incl. BTW) per vordering. Xenosite heeft deze factuur onbetaald gelaten.
3. De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg
3.1
Pranger heeft Xenosite gedagvaard voor de kantonrechter te Leeuwarden. Zij heeft gevorderd dat Xenosite wordt veroordeeld om alsnog uitvoering te geven aan haar verplichting uit de overeenkomst om 500 opeisbare incassovorderingen aan haar over te dragen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2
Xenosite heeft verweer gevoerd. Zij heeft een reconventionele vordering ingesteld, primair inhoudende dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst is ontbonden, subsidiair dat de overeenkomst wordt ontbonden en meer subsidiair dat de bepaling dat Xenosite 500 vorderingen per jaar dient te leveren wordt gewijzigd in die zin dat Xenosite daartoe niet meer verplicht is waartegenover Pranger de drie breedbandovereenkomsten kan beëindigen.
3.3
De kantonrechter heeft de vorderingen van Pranger afgewezen en de primaire vordering van Xenosite in reconventie toegewezen, met veroordeling van Pranger in de proceskosten in conventie en in reconventie. Aan deze beslissingen heeft de kantonrechter, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat Pranger toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst door (veel) te hoge incassokosten in rekening te brengen en door dat, ondanks de klachten van Xenosite, niet recht te zetten. Bij zijn oordeel nam de kantonrechter in aanmerking dat Pranger, naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte, niet is ingegaan op het verzoek van Xenosite om aan tafel te zitten, waardoor de tussen partijen ontstane onduidelijkheid/verwarring aan Pranger valt toe te rekenen.
4. De bespreking van de overige grieven
4.1
Bij de bespreking van de overige grieven stelt het hof voorop dat Pranger in hoger beroep haar vordering heeft gewijzigd. Het verzet daartegen is door het hof in de rolbeschikking van 24 januari 2017 niet gehonoreerd, zodat het hof uitgaat van de gewijzigde eis. Die komt er op neer dat Pranger nu niet meer vordert dat 500 incassovorderingen aan haar worden overgedragen, maar dat Xenosite wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 52.958,96 (het in de in rechtsoverweging 2.27 bedoelde in rekening gebrachte bedrag), te vermeerderen met wettelijke rente en incassokosten, dat voor recht wordt verklaard dat Xenosite toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, althans dat het hof de overeenkomst (gedeeltelijk) ontbindt, dat Xenosite wordt veroordeeld tot (vervangende) schadevergoeding op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 50.000,-, een en ander met veroordeling van Xenosite in de proceskosten van beide instanties.
4.2
Met de grieven II en III komt Pranger op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Pranger toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat Xenosite de overeenkomst op grond van deze tekortkoming mocht ontbinden. De grieven hangen met elkaar samen. Het hof zal ze dan ook tezamen bespreken.
4.3
Pranger bestrijdt dat zij te hoge incassotarieven in rekening heeft gebracht. De door haar bij de cliënten van Xenosiote in rekening gebrachte tarieven zijn volgens haar verschuldigd op grond van de wet en de algemene voorwaarden van Xenosite/Watsnel.nl. Op grond van de wet Incassokosten (hierna: WIK) kunnen de incassokosten bij vorderingen over de eerste € 2.500,- worden begroot op 15% van de hoofdsom van de vordering, met een minimum van € 40,-. Pranger heeft, op een enkele uitzondering na, op elke factuur € 40,- incassokosten in rekening gebracht. Zij heeft dan ook voldaan aan de WIK. Op enig moment heeft zij de incassokosten ten aanzien van wanbetalende debiteuren met een vordering van meer dan € 250,- weliswaar verhoogd tot € 250,-, maar de algemene voorwaarden van Watsnel.nl boden daar de mogelijkheid voor, aldus Pranger, die erop wijst dat Xenosite in haar e-mailbericht van 1 mei 2014 (aangehaald in rechtsoverweging 2.19) uitdrukkelijk naar de algemene voorwaarden van Watsnel.nl heeft verwezen. Volgens Pranger heeft zij de debiteuren van Xenosite bovendien de mogelijkheid geboden om de zaak af te doen tegen betaling van de gangbare incassokosten van € 40,- door de vordering met dit bedrag binnen vijf dagen te voldoen.
4.4
Het hof volgt Pranger niet in dit betoog. Niet in geschil is dat de debiteuren consumenten waren. Op grond van artikel 6:96 lid 5 BW kan bij een consument voor wat betreft de hoogte van de incassokosten niet worden afgeweken van het tarief dat op grond van artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 27 maart 2012 (BIK) geldt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de op grond van artikel 2 van het BIK verschuldigde vergoeding in elk geval in de overgrote meerderheid van de overgedragen vorderingen € 40,- bedraagt. Door desondanks, ondanks een waarschuwing, € 250,- aan incassokosten in rekening te brengen, handelde Pranger in strijd met artikel 96 lid 5 BW juncto artikel 2 BIK. Zij heeft de debiteuren van Xenosite ten onrechte aangemaand tot betaling van een bedrag aan incassokosten dat zesmaal zo hoog was als het bedrag dat op grond van dwingend recht maximaal verschuldigd was. Het hof tekent daarbij aan dat Xenosite, niet (voldoende) bestreden door Pranger erop heeft gewezen dat de hoofdsom in veel gevallen € 30,- bedroeg, minder dan een achtste deel van het in de sommatiebrieven van Pranger vermelde bedrag van € 250,- aan incassokosten. Het hof laat dan nog daar dat het de vraag was of het bedrag van € 40,- wel verschuldigd was, nu gesteld noch gebleken is dat de op grond van artikel 6:96 lid 6 BW bedoelde aanmaning is verstuurd voordat aanspraak werd gemaakt op de vergoeding van € 40,-. Bovendien heeft Pranger, zoals Xenosite heeft aangevoerd, debiteuren die meerdere facturen niet betaald hadden per factuur aangemaand en voor iedere factuur een bedrag aan incassokosten in rekening gebracht, dit voor zover het consument-debiteuren betreft in strijd met artikel 6:96 lid 7 BW. Aldus heeft Pranger naar het oordeel van het hof bij de incasso van de aan haar in handen gegeven vorderingen op diverse cruciale punten in strijd gehandeld met de in artikel 6:96 BW neergelegde regeling, een regeling die onder meer bedoeld is om de rechtspositie van consumenten te versterken en om hen te beschermen tegen malafide incassopraktijken.
4.5
Door deze handelwijze is Pranger tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Xenositie mag er - in beginsel, zie hierna - vanuit gaan dat het door haar ingeschakelde incassobureau zich houdt aan de wettelijke regels die gelden voor de incasso van vorderingen. Doet het incassobureau dat niet, dan is de kans aanzienlijk dat klanten negatief zullen reageren en/of hun overeenkomst zullen opzeggen en/of dat de reputatie van Xenosite wordt geschaad. Dat is alleen anders wanneer Xenosite Pranger willens en wetens opdracht zou hebben gegeven om in strijd met de geldende regelgeving aanspraak te maken op een veel te hoge vergoeding voor incassokosten. Dat Xenosite dat heeft gedaan, heeft Pranger wel gesteld, maar onvoldoende onderbouwd. Pranger heeft alleen verwezen naar het in rechtsoverweging 2.19 aangehaalde e-mailbericht van Xenosite. In dat bericht citeert Xenosite slechts het incassobeding uit de algemene voorwaarden van Watsnel.nl., maar geeft zij Pranger zeker niet de opdracht om het in dat beding genoemde bedrag van € 250,- te berekenen. Integendeel, uit de aan het citaat voorafgaande zin volgt juist dat Xenosite het aan de beoordeling van Pranger - “jij bent jurist”- overlaat om te beoordelen wat de betekenis is van deze bepaling. Het had vervolgens op de weg van Pranger gelegen om Xenosite te laten weten dat het in de bepaling genoemde bedrag van
€ 250,- hoger was dan op grond van de wettelijke regeling was toegestaan en om nadere instructies te vragen. Pranger heeft dat echter nagelaten. Dat Pranger Xenosite heeft voorgelegd dat het in rekening brengen van € 40,- per factuur in strijd met artikel 6:96 lid 7 BW is, maar dat Xenosite dat toch wilde doen, is gesteld noch gebleken, zodat Pranger ook op dit punt niet met de (uitdrukkelijke) instemming van Xenosite in strijd met de wet heeft gehandeld.
4.6
Het hof volgt Pranger ook niet in haar betoog dat het aan Xenosite te wijten is dat Pranger de facturen niet heeft samengevoegd maar als separate vorderingen heeft behandeld. Ook indien, zoals Pranger stelt maar Xenosite bestrijdt, Xenosite door 500 facturen aan te dragen niet heeft voldaan aan haar verplichting uit de overeenkomst om 500 “geldelijke incassovorderingen” aan Pranger ter incasso in handen te geven, stond het Pranger niet vrij om de debiteuren op wie de facturen betrekking hadden aan te schrijven zonder rekening te houden met het bepaalde in artikel 6:96 lid 7 BW en zonder Xenosite erop te wijzen dat zij dat zou doen en dat in dat geval in strijd met deze bepaling werd gehandeld. Indien op dit punt sprake is geweest van onduidelijkheid, lag het op de weg van Pranger, als deskundige op het gebied van de incasso van vorderingen, op dit punt klare wijn te schenken. Een gesprek over de wijze van incasseren en over de problemen die daarmee gemoeid waren, is Pranger, ondanks de uitnodiging van Xenosite daartoe, echter uit de weg gegaan. In dit verband wijst het hof erop dat uit het e-mailbericht van 15 mei 2014, aangehaald in rechtsoverweging 2.21, waarop Pranger zich beroept niet duidelijk wordt wat de consequenties zijn van de aan Xenosite in dat e-mailbericht voorgelegde keuze. In het e-mailbericht wordt niet uiteengezet dat wanneer Xenosite niet opteert voor een bundeling van de “vorderingen” in strijd met artikel 6:96 lid 7 BW voor iedere factuur apart incassokosten in rekening zullen worden gebracht. Pranger kan Xenosite dan ook in redelijkheid niet verwijten dat haar handelwijze het gevolg is van aan Xenosite toe te rekenen verwarring over de bundeling van facturen.
4.7
Overigens volgt het hof Pranger evenmin in haar betoog dat Xenosite op grond van artikel 2 van de overeenkomst gehouden is om vorderingen op 500 verschillende debiteuren ter incasso uit handen te geven. De overeenkomst maakt melding van “geldelijke incassovorderingen”. Iedere (al dan niet in een factuur vastgelegde) betalingsverplichting is een vordering. Een crediteur die twee facturen aan een debiteur heeft verstuurd heeft twee vorderingen op deze debiteur (vgl. ook de tekst van artikel 6:96 lid 7 BW, die voor een dergelijk geval ook het begrip vorderingen gebruikt en de regeling van artikel 6:43 lid 1 BW over de toerekening van één betaling in een situatie van twee verbintenissen jegens dezelfde schuldeiser, een situatie waarin meerdere facturen openstaan). Gesteld noch gebleken is dat Pranger, die de tekst van de overeenkomst heeft opgesteld en zeker in de verhouding tussen partijen de deskundige op het gebied van de incasso is, voor of bij het aangaan van de overeenkomst heeft aangegeven dat onder “geldelijke vorderingen” vorderingen op verschillende debiteuren moet worden verstaan. In het hiervoor aangehaalde e-mailbericht van 15 mei 2014 gebruikt Pranger zelf overigens ook het begrip vordering in plaats van het begrip factuur.Bovendien heeft Xenosite, onbestreden door Pranger, aangevoerd dat de aanvankelijk door haar overgedragen 239 ‘vorderingen’ voor een deel bestonden uit meerdere facturen aan dezelfde debiteur. Pranger heeft deze facturen toch aangemerkt als 239 vorderingen en in de eerste door haar aanhangig gemaakte procedure gevorderd dat 261 (500 – 239 en niet een hoger aantal vanwege meerdere facturen aan dezelfde debiteur) vorderingen aan haar ter incasso werden overgedragen, zonder te stipuleren dat facturen aan een debiteur golden als één vordering in de zin van de overeenkomst.Het hof laat bij dit alles nog buiten beschouwing dat Xenosite, onvoldoende weersproken door Pranger, nog heeft aangevoerd dat zij om Pranger ter wille te zijn in het kader van de getroffen minnelijke regeling naast de 269 facturen nog 144 facturen heeft doen toekomen.
4.8
De slotsom is dat Pranger toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst.
4.9
Het hof volgt Pranger niet in haar betoog dat deze tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenis uit de overeenkomst de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst te ontbinden. Dat is alleen anders indien de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW). Stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze uitzondering rusten op de tekortschietende partij. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen over de tekortkoming van Pranger volgt dat Pranger is tekortgekomen in een kernverplichting uit de overeenkomst, te weten om de aan haar ter incasso in handen gegeven vorderingen van Xenosite op een prudente wijze te incasseren, zonder dat de verhouding tussen Xenosite en haar klanten onnodig wordt verstoord en daardoor schade voor Xenosite ontstaat. De door Pranger gehanteerde praktijk is ook in strijd met de wettelijke regeling, die juist beoogde om consumenten te beschermen tegen onoorbare praktijken waarbij ze werden opgezadeld met torenhoge incassokosten. In het licht daarvan heeft Pranger niet onderbouwd dat haar tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt.
4.10
Pranger heeft zich erop beroepen dat Xenosite in schuldeisersverzuim verkeerde toen zij de ontbinding van de overeenkomst inriep. Xenosite heeft zowel in het eerste als in het tweede jaar niet voldaan aan haar verplichting om 500 vorderingen ter incasso aan haar over te dragen. Door onvoldoende incasso’s over te dragen en geen duidelijkheid te verschaffen over het al dan niet voegen van de wel uit handen gegeven facturen, heeft Xenosite de medewerking die noodzakelijk is voor Pranger om de incassowerkzaamheden naar behoren te kunnen verrichten, niet verleend, aldus Pranger.
4.11
Van schuldeisersverzuim is allereerst sprake wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat de schuldeiser de voor nakoming noodzakelijke medewerking niet verleent (artikel 6:58 BW). In dat geval kan de schuldeiser de ontbinding van de overeenkomst niet baseren op een tekortkoming in de nakoming van die verbintenis (artikel 6:266 lid 1 BW). Daarnaast is van schuldeisersverzuim sprake wanneer de schuldeiser als gevolg van aan hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan zijn eigen verplichtingen uit de overeenkomst en de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis uit die overeenkomst op die grond opschort (artikel 6:59 BW). In die situatie is van een ‘tekortkoming’ van de schuldenaar geen sprake, omdat deze wordt gerechtvaardigd door (het gebruik van) de opschortingsbevoegdheid door de schuldenaar.
4.12
Het hof stelt vast dat Pranger zich (kennelijk) beroept op de eerste situatie van schuldeisersverzuim. In de stellingen van Pranger heeft het hof althans niet gelezen dat Pranger zich op opschorting heeft beroepen. Pranger heeft zich wel beroepen op de artikelen 6:266 lid 1 en 6:58 BW, maar heeft artikel 6:59 BW niet aangehaald en heeft ook niet aangegeven dat zij een beroep heeft gedaan op een haar toekomende opschortingsbevoegdheid, bijvoorbeeld vanwege het niet (volledig) voldoen door Xenosite aan haar verplichting om betreffende het eerste en tweede contractjaar 500 schuldvorderingen aan Pranger in handen te geven. Ook de correspondentie tussen partijen waarop Pranger zich in de memorie van grieven beroept, biedt geen aanknopingspunt voor een dergelijk beroep.
4.13
Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat het verwijt dat Pranger Xenosite maakt over de onduidelijkheid betreffende het al dan niet voegen van facturen en de vraag of een factuur heeft te gelden als een “geldelijke incassovordering” (en daarmee over de vraag of Xenosite, uiteindelijk, heeft voldaan aan haar verplichting voor het eerste contractjaar) niet terecht is. Als er al sprake is geweest van onduidelijkheid, heeft Pranger die onduidelijkheid aan zichzelf te wijten. Bovendien valt niet in te zien dat deze onduidelijkheid Pranger verhinderde om ten aanzien van de (wel) aan haar in handen gegeven vorderingen correct berekende incassokosten in rekening te brengen. Dat laatste geldt ook ten aanzien van het verwijt dat Pranger Xenisite maakt over het niet uit handen geven van (de volledige hoeveelheid van) 500 schuldvorderingen gedurende het eerste en tweede contractjaar. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat deze omstandigheid Pranger verhinderde om ten aanzien van de (wel) aan haar in handen gegeven vorderingen correct berekende incassokosten in rekening te brengen. Van schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 (en 6:266 lid 1) BW is dan ook geen sprake. Op schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:59 BW is, zoals overwogen, geen beroep gedaan.
4.14
De slotsom is dat de verweren van Pranger tegen de ontbinding van de overeenkomst door Xenosite niet slagen. De grieven II en III falen in zoverre.
4.15
Pranger heeft aangevoerd dat ook indien Xenosite de overeenkomst terecht heeft ontbonden Pranger toch aanspraak heeft op schadevergoeding omdat in dat geval sprake is van een wederzijdse tekortkoming doordat ook Xenosite toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van diverse verbintenissen uit de overeenkomst.
4.16
Een ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Voor zover deze zijn nagekomen, ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking (artikel 6:271 BW), waarvoor, als ongedaanmaking niet mogelijk is, een verbintenis tot vergoeding van de waarde van de niet ongedaan te maken verbintenis in de plaats treedt (artikel 6:272 BW). Verder is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt (artikel 6:277 BW).
4.17
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat Pranger geen aanspraak heeft op schadevergoeding door de ontbinding van de overeenkomst. Het is immers haar tekortkoming die de grond voor de ontbinding heeft opgeleverd, zodat gelet op het bepaalde in artikel 6:277 BW zij geen aanspraak kan maken op vergoeding van eventuele schade vanwege de ontbinding van de overeenkomst. Uit de toelichting van Pranger op haar schadevergoedingsvordering volgt dat zij stelt schade te lijden als gevolg van winstderving doordat veel minder dan de driemaal 500 vorderingen ter incasso aan haar in handen zijn gegeven. Dit betreft derhalve schade die is ontstaan doordat ontbinding in plaats van nakoming van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Juist op vergoeding van dergelijke schade kan Pranger geen aanspraak maken.
4.18
Pranger maakt daarnaast aanspraak op vergoeding voor de door haar verrichte werkzaamheden ten aanzien van de wel aan haar ter incasso overgedragen vorderingen. Door de ontbinding is aan deze vordering de (oorspronkelijke) grondslag - nakoming - komen te ontvallen (6:271 BW). Van intrekking van de opdracht tot incasso is geen sprake, zodat de vordering voor zover gebaseerd op artikel 5.2 van de algemene voorwaarden van Pranger ongegrond is. Indien Pranger bedoeld heeft de vordering (subsidiair) te baseren op artikel 6:272 BW heeft zij de vordering onvoldoende onderbouwd. De vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 302,50 (inclusief BTW) voor nagenoeg alle vorderingen die ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst nog bij haar in behandeling waren. Pranger heeft niet gesteld dat de aan haar ter incasso in handen gegeven vorderingen waarvoor dit bedrag in rekening is gebracht ook zijn geïncasseerd, zodat niet aannemelijk is geworden dat de incasso-activiteiten van Pranger, die niet aan de verbintenis beantwoordden doordat Pranger veel te hoge incassokosten in rekening heeft gebracht, enige waarde voor Xenosite hebben gehad (artikel 6:272 lid 2 BW). De vordering strandt daarop al. Overigens heeft Xenosite (onweersproken) aan Pranger al een factuur voldaan voor door Pranger verrichte incassowerkzaamheden voor het eerste jaar.
4.19
De slotsom is dat voor zover de grieven II en III ertoe strekken dat de gewijzigde eis van Pranger (gedeeltelijk) toewijsbaar is, de grieven eveneens falen.
4.20
Grief IV, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling, heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van deze grieven.
4.21
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof niet toekomt aan bewijslevering, zodat het door Pranger gedane bewijsaanbod doel mist.
4.22
Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Pranger zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal bij de bepaling van deze kosten geen rekening houden met de akte verzet tegen wijziging van eis, nu Xenosite zich (geheel) ten onrechte tegen de, tijdig gedane, eiswijziging heeft verzet en bovendien een half punt in mindering brengen op de aan Xenosite toe te kennen punten vanwege de antwoordakte verzet eiswijziging die Pranger moest nemen om te reageren op het verzet van Xenosite. Het hof gaat, gelet op de stellingen van Pranger over de omvang van haar schade uit van tarief VI. Dat betekent dat het salaris voor de advocaat uitkomt op 1,5 x€ 3.919,- = € 5.878,50.
5. De beslissing
Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt de beslissing, waarvan beroep;
veroordeelt Pranger in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Xenosite gevallen, op € 711,- aan verschotten en op€ 5.878,50 voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, W.P.M. ter Berg en O.E. Mulder en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

Gelezen: 288 keer Laatst aangepast op vrijdag 10 mei 2019 12:55

Over Steenbergen Incasso

Steenbergen Incasso is een onderdeel van
Steenbergen Advocaten B.V.

Loosterweg 4b
2215 TL  Voorhout
T: 0252 225253
F: 0252 227870
Kvk: 74462474
BTW: NL859910994B01

Op al onze diensten zijn de onze 'Werkwijze Incasso' en de Algemene Voorwaarden van Steenbergen Advocaten van toepassing.

Search