User's Blog

mr. J.S.K. Joustra

mr. J.S.K. Joustra

Ontbinding incasso-overeenkomst. Is incassobureau toerekenbaar tekortgeschoten door te hoge incassokosten in rekening te brengen? Schuldeisersverzuim.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.171.487/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3059432 \ CV EXPL 14-5352)
arrest van 17 juli 2018
in de zaak van
Pranger Gerechtsdeurwaarders B.V.,
gevestigd te Assen,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna: Pranger,
advocaat: mr. J.M. Pol, kantoorhoudend te Assen,
tegen
Xenosite B.V.,
gevestigd te Drachten,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna:,Xenosite,
advocaat: mr. H.J. Reyneveld, kantoorhoudend te Heerenveen.
Het hof neemt het tussenarrest van 30 januari 2018 hier over.
1. 1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie heeft op 3 juli 2018 plaatsgevonden.
1.2
Partijen hebben aan het einde van de comparitie arrest gevraagd op de ter voorbereiding van de comparitie overgelegde stukken, waaraan het proces-verbaal van de comparitie is toegevoegd.
2. 2. De vaststaande feiten
2.1
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.24) van zijn vonnis van 22 april 2016 de feiten vastgesteld. Pranger heeft in hoofdstuk III van haar memorie van grieven haar visie op de feiten gegeven. Met grief I komt zij op tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter, voor zover deze afwijkt van haar weergave van de feiten. De grief is onvoldoende concreet omdat Pranger niet duidelijk maakt welke feiten de kantonrechter volgens haar onjuist heeft vastgesteld en waarin de weergave van de feiten door Pranger afwijkt van de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Voor zover Pranger van oordeel is - duidelijk is dat niet - dat de feitenvaststelling door de kantonrechter onvolledig is, miskent Pranger dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. De grief faalt dan ook.
2.2
Het hof zal, gelet op wat hiervoor is overwogen over grief I, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook verder niet van (concrete) bezwaren tegen deze vaststelling is gebleken. Deze feiten komen op het volgende neer.
2.3
Pranger exploiteert in meerdere vestigingen een gerechtsdeurwaarders- en
incassopraktijk.
2.4
Xenosite is leverancier van telecommunicatieproducten en -diensten. Zij is een dochtervennootschap van NedLook Holding B.V. en een zustervennootschap van
2Blue4U Internet B.V., die een onderneming met de handelsnaam Watsnel.nl exploiteert.
2.5
Op 12 januari 2012 hebben Pranger en Xenosite een tweetal schriftelijk vastgelegde overeenkomsten gesloten, ter uitvoering van hun afspraak om elkaars producten c.q. diensten te gaan afnemen. Op grond van de ene overeenkomst leverde Xenosite met ingang van1 februari 2012 drie breedbandverbindingen aan vestigingen van Pranger. De contractsduur is 36 maanden en zal stilzwijgend per drie maanden verlengd worden.
2.6
In de andere overeenkomst - hierna te noemen: de overeenkomst - is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1. Algemene bepalingen
1.1.
Xenosite geeft jaarlijks 500 geldelijke incassovorderingen ter incasso aan Pranger in
behandeling onder de werking van deze overeenkomst (verder te noemen "OTD");
1.2.
De ter incasso overgedragen bedragen (de vorderingen) blijven eigendom van Xenosite en zijn op het moment van overdracht verschuldigd door en opeisbaar van debiteur;
1.3.
Pranger verkrijgt bij deze volmacht om de benodigde handelingen te verrichten in de, uit hoofde van deze overeenkomst, verstrekte opdrachten;
(…)

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van € 63,59 aan buitengerechtelijke incassokosten voor het innen van de huurtermijn voor een bedrijfsruimte. Volgens gedaagde heeft eiser niet voldaan aan de vereisten voor het in rekening mogen brengen van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter overweegt dat de huurovereenkomst na 1 juli 2012 is gesloten tussen een rechtspersoon en een natuurlijke persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Sprake is dus van een handelsovereenkomst waarop het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit BIK) van toepassing is. De uiterste dag van betaling was verstreken, zodat eiseres terecht het bedrag aan incassokosten overeenkomstig het Besluit BIK in rekening heeft gebracht. Eiseres heeft voldaan aan het vereiste ex art. 6:96 lid 4 BW dat de in rekening gebrachte kosten ten minste € 40 bedragen, zodat geen aanmaning hoefde te worden gestuurd. Eiseres hoeft niet aan te tonen dat zij daadwerkelijk incassokosten heeft gemaakt. Volgt toewijzing.

Prejudiciële beslissing op voet art. 392 Rv. Vergoeding buitengerechtelijke incassokosten; art. 6:96 lid 2 onder c BW; dubbele redelijkheidstoets; normering hoogte verschuldigde vergoeding; Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; bestaat na ‘veertiendagenbrief’ van art. 6:96 lid 6 BW recht op vergoeding buitengerechtelijke incassokosten zonder dat crediteur nadien nadere incassohandeling verricht?
De kantonrechter heeft de volgende prejudiciële vraag gesteld: ‘Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief nog een nadere incassohandeling verricht?’ De vraag houdt verband met de toepassing van de leden 5-7 van art. 6:96 BW, die met ingang van 1 juli 2012 van kracht zijn geworden, tezamen met het in lid 5 bedoelde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 141 (hierna: het Besluit). Met deze nieuwe regelgeving heeft de wetgever beoogd ter zake van de incasso van, kort gezegd, contractuele geldschulden (als omschreven in art. 1 Besluit) houvast te bieden omtrent de hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW genoemde redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Op grond van art. 6:96 lid 5 BW is daartoe in het Besluit de (maximale) hoogte van de vergoeding van deze kosten vastgesteld op een forfaitair percentage van de verschuldigde hoofdsom (art. 2 Besluit). Lid 5 bepaalt voorts dat van deze regels niet ten nadele van een consument-schuldenaar kan worden afgeweken. Ingevolge lid 6 is een consument-schuldenaar de kosten pas verschuldigd indien hij, na het intreden van zijn verzuim, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (waaronder de vergoeding overeenkomstig het Besluit) vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen (de zgn. veertiendagenbrief). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze nieuwe regels blijkt dat de wetgever hiermee met name de ‘tweede redelijkheidstoets’ van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW (de hoogte van de kosten) heeft willen normeren. Met de normering van de hoogte van de verschuldigde incassokosten is niet beoogd ook de ‘eerste redelijkheidstoets’ (de vraag of het redelijk is dat kosten zijn gemaakt) in te vullen. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht. Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar is voorgeschreven dat de schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW). De veertiendagenbrief is naar zijn aard ook zelf een incassohandeling. Daarmee rijst de (door de kantonrechter gestelde) vraag of de volgens het Besluit genormeerde kosten reeds zijn verschuldigd indien de schuldeiser die brief heeft gestuurd (en deze is ontvangen), dan wel of hij daartoe na het sturen van de veertiendagenbrief nog nadere incassohandelingen dient te verrichten. De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag aldus dat art. 6:96 lid 6 BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan en de daarin genoemde veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar heeft gestuurd, bij uitblijven van de betaling binnen de termijn van veertien dagen de in het Besluit genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassohandelingen door de consument-schuldenaar verschuldigd wordt, zonder dat de schuldeiser gehouden is daartoe nog nadere incassohandelingen te verrichten.

Prejudiciële beslissing op voet art. 392 Rv. Vallen buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW) onder het begrip ‘kosten’ in art. 6:44 lid 1 BW? Wet normering vergoeding kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Stb. 2012, 140) en Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (BIK, Stb. 2012, 141). Ambtshalve matigingsbevoegdheid rechter van in B2B-relatie bedongen buitengerechtelijke incassokosten (art. 242 Rv)?; beoordelingsvrijheid rechter (art. 6:96 lid 5 BW); maatstaf; belang van in branche gebruikelijk of door schuldenaar zelf gehanteerd incassopercentage; betekenis afspraak met rechtsbijstandverlener dat tussen schuldeiser en schuldenaar bedongen incassopercentage van hoofdsom verschuldigd is aan rechtsbijstandverlener.

Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder de in art. 6:44 lid 1 BW bedoelde kosten. Aldus heeft de schuldeiser aanspraak op de rente over het openstaande gedeelte van de hoofdsom totdat dit gedeelte volledig is voldaan.
Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luidt als volgt. Indien de schuldenaar geen consument is, is art. 2 BIK van aanvullend recht. Het staat de rechter echter vrij, met inachtneming van de geldende motiveringseisen, bij de toepassing van art. 242 Rv een in een ‘business to business’-relatie (B2B-relatie) bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen tot het bedrag dat overeenkomstig art. 2 BIK wordt begroot, indien niet wordt gesteld en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag.
Het antwoord op de derde prejudiciële vraag luidt als volgt. Een incassopercentage dat gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen opereren of dat door de schuldenaar zelf in de verhouding tot zijn schuldenaren wordt gehanteerd, kan een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van buitengerechtelijke incassokosten. Niet kan echter worden aanvaard dat een dergelijk percentage daarbij in beginsel als uitgangspunt zou moeten dienen. Met dat uitgangspunt zou immers afbreuk worden gedaan aan de strekking van art. 242 Rv en aan de rechterlijke beoordelingsvrijheid.
Het maakt voor de beantwoording van de tweede en derde prejudiciële vraag geen verschil of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen vaste of degressieve incassopercentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd. Ook een dergelijke afspraak kan een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten waarop de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Daarbij verdient opmerking dat krachtens art. 242 Rv als uitgangspunt heeft te gelden dat de kosten redelijk moeten zijn jegens de schuldenaar. De vierde prejudiciële vraag wordt als volgt beantwoord. Het antwoord op de vraag of een schuldeiser die de in hiervoor bedoelde afspraak in zijn stellingen noemt, in beginsel heeft voldaan aan de hiervoor bij de beantwoording van de tweede vraag aangeduide stelplicht ten aanzien van gevorderde buitengerechtelijke incassokosten die het volgens art. 2 BIK verschuldigde bedrag overtreffen, kan niet in algemene zin worden gegeven. Dit dient in voorkomende gevallen te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen hiervoor is overwogen.

donderdag 09 mei 2019 14:14

Zeven vragen over de veertiendagenbrief

Moeten buitengerechtelijke kosten opnieuw worden berekend, indien consument-schuldenaar binnen termijn veertiendagenbrief slechts gedeelte vordering heeft voldaan?
Ja. Forfaitaire vergoeding is afhankelijk van omvang vordering. Verder worden nog zes prejudiciële vragen over veertiendagenbrief en buitengerechtelijke kosten beantwoord.

Samenvatting

Fa-Med BV heeft gevorderd een klant te veroordelen tot betaling van € 110,33 aan buitengerechtelijke kosten. De klant heeft de factuur niet betaald binnen de termijn die in de veertiendagenbief ex art. 6:96 lid 6 BW is opgenomen. Volgens de kantonrechter stemt het gevorderde bedrag overeen met het Besluit BIK. De vraag is echter of de brief vermeldt dat de betalingstermijn aanvangt op de dag na aanmaning en wat de consequenties moeten zijn van het vermelden van een onjuiste termijn. De kantonrechter stelt zeven prejudiciële vragen.

De Hoge Raad overweegt dat de veertiendagentermijn aanvangt op de dag na die waarop de schuldenaar de aanmaning ontvangt. De schuldeiser moet bewijzen dat en wanneer aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW is voldaan. In verstekzaken, waarin een betwisting ontbreekt, is in ieder geval niet onredelijk het uitgangspunt dat de schuldenaar een aantoonbaar verstuurde brief op de tweede reguliere bezorgingsdag na verzending heeft ontvangen. Een veertiendagenbrief heeft voorts alleen rechtsgevolg als het de schuldenaar duidelijk is dat hem de volle wettelijke termijn van veertien dagen ter beschikking staat. Als een te korte termijn is vermeld, kan dat niet gerepareerd worden met een korte extra termijn. Het staat de schuldeiser wel vrij om een langere termijn dan veertien dagen te gunnen. De schuldenaar moet hoe dan ook binnen de wettelijke of langere termijn betalen. Zelfs een overschrijding van de termijn met een dag, vereist geen respijt. Bij betaling van een deel van de vordering binnen de termijn, is de schuldenaar slechts de incassovergoeding over het resterende bedrag verschuldigd. Ten slotte moet de rechter in verstekzaken ambtshalve onderzoeken of de schuldeiser overeenkomstig de wettelijke eisen heeft gehandeld. Ook in zaken op tegenspraak is hij daartoe bevoegd.

 

Over Steenbergen Incasso

Steenbergen Incasso is een onderdeel van
Steenbergen Advocaten B.V.

Loosterweg 4b
2215 TL  Voorhout
T: 0252 225253
F: 0252 227870
Kvk: 74462474
BTW: NL859910994B01

Op al onze diensten zijn de onze 'Werkwijze Incasso' en de Algemene Voorwaarden van Steenbergen Advocaten van toepassing.

Search